ADVIES VOOR KLIMAATBEHEERSING MET BETREKKING TOT HET KERKORGEL

 

Nog geregeld worden wij als orgelmakers ’s winters geconfronteerd met orgels die door abnormale uitdroging schade ondervinden en daardoor praktisch of geheel onbespeelbaar raken. Ook onlangs gerestaureerde orgels kunnen opnieuw schade oplopen aan windlade, balg, mechanieken en houten pijpen. Ook historisch kerkmeubilair zoals preekstoel, banken en lambrisering kan grote schade door uitdroging ondervinden. Gezien onze ervaring is dit in een aantal gevallen te voorkomen en wel door een goede wijze van verwarmen.

 

De hoofdzaak is dat men - kerkrentmeesters en kosters - zich er van bewust moet zijn dat de relatieve luchtvochtigheid die hier ’s zomers meestal schommelt tussen 70 en 95% relatieve luchtvochtigheid gedurende de winter en door een droge vorstperiode en daarbij nog door verwarming langdurig onder voornoemd percentage komt. Het hout waaruit een orgel voor het grootste gedeelte bestaat gaat hierdoor krimpen en kromtrekken.

 

Hierdoor kunnen allerlei mankementen ontstaan, waarbij als meest voorkomende zijn aan te merken:

 

  • Scheuren en naden in de windlade(n) met als gevolg lekkage, doorhuilen van tonen, bijspraak (het onbedoeld meespreken van naast staande pijpen), ontstemming etc.
  • Lekkage in de balg en de windkanalen waardoor tekort aan wind ontstaat en daardoor weer extra ontstemming.
  • Houten pijpen krimpen bij de stop kapot, waardoor stoppen scheef zakken en de pijp ontstemt.
  • Lagers krimpen waardoor de mechaniek zakt en dus de toetsen ook. Toetsen liggen “berg en dal”. Ook kunnen toetsen krom of scheluw trekken waardoor ze gaan klemmen.
  • Panelen krimpen uit de sponningen van de luiken waardoor het verfwerk wordt beschadigd. Wanneer een paneel in een vochtiger periode niet recht voor de sponning staat, zal bij het uitzetten van dit paneel dit krom gaan staan en kan er nog meer schade ontstaan.

  • Om deze euvels zo veel mogelijk te voorkomen geven wij het volgende advies:

    1. De relatieve luchtvochtigheid (RV) controleren en vastleggen door een haarhygrometer of hiervoor verkrijgbare digitale apparatuur. Wanneer de RV dagenlang minder dan 55% aanwijst begint het orgel al gevaar te lopen.
    2. Bij het opwarmen van de kerk dient u er zorg voor te dragen de temperatuur niet meer dan 1 tot 1,5 graad Celsius per uur te verhogen. Hierdoor daalt de RV gelijkmatig en heeft het orgel ook de tijd om geheel door te warmen, wat ook de stemming weer ten goede komt.
    3. Steeds zo kort mogelijk verwarmen, dus vooral niet doorstoken als er door de week geen activiteiten in de kerk zijn.
    4. Een ondertemperatuur van 5 tot 8 graad Celsius is door de week voldoende om de kerk vorstvrij te houden.
    5. In droge perioden de luchtvochtigheid op peil houden door een goede bevochtiger aan te schaffen. Wij kunnen u hierin adviseren. Alternatieven zijn: de vloer bevochtigen (nadeel: kalkafzetting) waterbakken op radiatoren of gaskachels plaatsen, plantenbakken plaatsen etc. Na een vorstperiode, bij dooiweer, zo veel mogelijk ventileren zodat de luchtvochtigheid weer zo gauw mogelijk op peil komt.

    Wij vertrouwen erop u met dit advies van dienst te zijn. U kunt bij ons altijd terecht voor een advies op maat.